De jongste jaren stelt de rechtspraak de aftrekbaarheid van betaalde managementvergoedingen meer en meer in vraag.
Aan de opdrachtgever wordt een bewijs gevraagd van de gepresteerde diensten die de betaling van de fee verantwoorden (art. 49 WIB). Het risico bestaat dat de vennootschap die de vergoeding betaalt, deze kost niet kan aftrekken. Terwijl
degene die de vergoeding ontvangt hierop wel belastingen betaalt.
Bewijsproblematiek
Dit risico is wellicht het grootst als de vergoeding wordt betaald tussen verbonden ondernemingen. De contacten zijn vaak informeel waardoor er weinig of geen bewijsstukken van de prestaties zijn. Daarom is het aangewezen om zoveel mogelijk documenten als bewijs te bewaren.
Herkwalificatie in gift
Het Hof van Cassatie boog zich op 10 juni 2010 over de volgende situatie: een industriële vennootschap A sluit met een managementvennootschap B een contract af voor de levering van diverse diensten (bedrijfsadvies, beheer en management). De vergoeding bedraagt ca. € 30.000 per maand. Op dezelfde datum sluit vennootschap B een contract met een vennootschap C, waarbij C wordt afgevaardigd om de leiding en het bestuur van de vennootschap A te vervullen. Hiervoor ontvangt vennootschap C een vergoeding van ca. € 10.000 per maand.
In casu realiseert B dus een opbrengst van ca. € 20.000 per maand. Maar B betaalt geen vennootschapsbelasting omdat zij voldoende andere uitgaven heeft.
De fiscus is van oordeel dat één en ander om fiscale redenen is opgezet. Op basis van de algemene anti-misbruikmaatregel (art. 344 § 1 WIB) stelt hij dat er in feite sprake is van een overeenkomst tussen A en C voor een bedrag van ca. € 10.000 per maand. Het saldo van ca. € 20.000 wordt aanzien als een niet-aftrekbare schenking tussen vennootschappen. Cassatie sluit zich in voornoemd arrest aan bij dit standpunt.
Heropleving van de algemene anti-misbruikmaatregel?
Het lijkt erop dat het Hof van Cassatie een nieuwe wending geeft aan de anti-misbruikmaatregel: het bestaan van de ‘tussenvennootschap’ B wordt genegeerd. Stapt Cassatie daarmee af van zijn vaste rechtspraak die stelt dat herkwalificatie van een akte maar kan, indien de juridische gevolgen ervan gelijkaardig zijn?
Naar onze mening niet. De interpretatie van Cassatie komt zelfs overeen met zijn eerdere uitspraken over de zogenaamde ‘step by step transaction’. Zo stelde Cassatie in een arrest van 21 april 2005 dat een verhuur door A aan B, en een onderverhuur door B aan C, in feite een rechtstreekse verhuur was van A aan C. In het arrest van 10 juni 2010 doet Cassatie min of meer hetzelfde in het kader van managementvergoedingen.
Conclusies voor de praktijk
In de praktijk komt het geregeld voor dat een managementvennootschap haar prestaties laat vervullen door een derde. Het lijkt ons normaal dat zij hierbij een saldo aan opbrengsten realiseert. Indien dit saldo echter relatief groot is (zoals in de behandelde casus) moet de managementvennootschap dit saldo kunnen verantwoorden.
Het komt er volgens ons op aan dat zij haar toegevoegde waarde kan aantonen (bv. eigen personeel of bestuur, specifieke knowhow, marketing, …). Indien haar inbreng niet meer is dan een lege doos, kunnen wel degelijk fiscale problemen worden verwacht.
Gelet op de recente tendensen, is het in elk geval aangewezen bestaande managementstructuren en soortgelijke overeenkomsten, en vergoedingen te onderzoeken op fiscale risico’s.
Gert De Greeve
gert.degreeve@vhg.be
