DBI, de circulaire na Cobelfret

Een administratieve circulaire van 23 juni 2009 becommentarieert de gevolgen van het arrest ‘Cobelfret’ (C-138/07) van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen (HJEG) betreffende het stelsel van de definitief belaste inkomsten (DBI).
 
Het arrest Cobelfret
Op 12 februari 2009 velde het HJEG een arrest (het arrest Cobelfret) dat stelde dat het Belgisch stelsel van de definitief belaste inkomsten in strijd is met de moeder-dochterrichtlijn van 23 juli 1990. De aftrek van de ontvangen dividenden, die voldoen aan de voorwaarden van de richtlijn, werd door de Belgische fiscus immers beperkt tot het positief bedrag van de belastbare winst van de periode dat overblijft na de aftrek van de vrijgestelde inkomsten. Deze niet-overdraagbaarheid is in strijd met voormelde richtlijn.
 
Om te verduidelijken wat dit precies inhoudt even het volgende voorbeeld:
 
Het Belgisch stelsel vóór het arrest Cobelfret

  • Een vennootschap heeft een operationeel verlies van 100 en ontvangt een dividend van 30; het belastbaar resultaat van de periode bedraagt  –70 en het overdraagbaar verlies bedraagt –70.
  • Het volgende jaar heeft de vennootschap een operationele winst van 200 en ontvangt geen enkel dividend; het belastbaar resultaat bedraagt 200-70 = 130.

Het Belgisch stelsel dat overeenstemt met de richtlijn, na het arrest Cobelfret

  • Een vennootschap heeft een operationeel verlies van 100 en ontvangt een dividend van 30; vrijstelling van het ontvangen dividend van 28,5; het belastbaar resultaat bedraagt –100 en het overdraagbaar verlies –100 + 30 – 28,5 = 98,5.
  • Het volgende jaar heeft de vennootschap een operationele winst van 200 en ontvangt geen enkel dividend; het belastbaar resultaat bedraagt 200 – 98,5 = 101,5.

Uit dit voorbeeld blijkt dat het arrest fiscaal zeer aanzienlijke gevolgen kan hebben.
 
De circulaire van 23 juni 2009
In vernoemde circulaire verduidelijkt de Belgische fiscus de manier waarop het arrest dient te worden toegepast.
 
Beginsel van de overbrenging van de DBI
Het wegens onvoldoende winst niet werkelijk afgetrokken gedeelte van de DBI kan worden overgedragen naar de latere aanslagjaren. De circulaire verduidelijkt dat de aftrek ‘zijn aard en zijn plaats in de bepalingsorde van de belastbare grondslag’ behoudt. Dit betekent concreet dat hij geschiedt na aftrek van de niet-belastbare bestanddelen zoals giften, aftrek bijkomend personeel voor kmo enz. en vóór de aftrek voor octrooi-inkomsten en de aftrek voor risicokapitaal.
 
De betrokken dividenden
Het gaat om de dividenden die door een in de Europese Economie Ruimte (EER) gevestigde vennootschap toegekend worden.
 
De circulaire verduidelijkt dat een vennootschap, die wordt geconfronteerd met dividenden van EER-oorsprong en niet-EER-oorsprong, deze laatste bij voorrang mag aftrekken, hetgeen dus toelaat EER-dividenden over te dragen in geval van onvoldoende belastbare winst.
 
De (minimumparticipatie-)voorwaarden van het nationaal recht moeten beoordeeld worden op het ogenblik van uitkering van het dividend. Voor aanslagjaar 2009 is dus een bezit van ten minste 10% vereist of, bij gebreke daaraan, een aanschaffings- of beleggingswaarde van tenminste 1.200.000,00 EUR.
 
Ontvangen dividenden met betrekking tot aanslagjaar 2009
De aftrek van de DBI dient steeds te worden beperkt tot de winsten van de belastbare periode die nog bestaan na aftrek van de vrijgestelde inkomsten. Aangezien het overschot voortaan overgebracht kan worden, dient het bedrag ervan te worden vermeld in een bijlage.
De administratie eist dat dit overschot voorkomt noch in vak IX betreffende de overdraagbare verliezen noch in vak I door een vermeerdering van de aanvangtoestand van de reserves, zulks waarschijnlijk om de aard eigen aan de aftrek te behouden (zie hierboven). Vanaf het aanslagjaar 2010 wordt een specifiek vak in de aangifte voorzien.
 
 
Dividenden ontvangen in de loop van een belastbare periode die aan het aanslagjaar 2009 voorafgaat
Voor de ontvangen dividenden sinds aanslagjaar 1992 tot en met aanslagjaar 2008, is het gebeurlijke overschot dat niet kon worden afgetrokken bij gebreke aan voldoende winst, voortaan aftrekbaar en overdraagbaar. De volledige overbrenging wordt evenwel slechts toegelaten indien geen enkele definitieve aanslag, dat wil zeggen een niet voor beroep vatbare aanslag, intussen ingekohierd werd. Zoniet moet het bedrag van de overdracht verminderd worden met het bedrag van de DBI-overdracht dat in beginsel had kunnen worden afgetrokken. De vennootschappen worden ook verzocht het bedrag, dat zij van plan zijn te kunnen overdragen, op te nemen in een bijlage die bij hun aangifte betreffende aanslagjaar 2009 dient te worden gevoegd.
 
Voorbeeld
Voor aanslagjaar 1999 had een vennootschap een belastingverlies van 100 dat ze belette een bedrag van 200 aan DBI af te trekken.
 
Voor aanslagjaar 2000 werd dezelfde vennootschap belast op een bedrag van 50 na aftrek van de DBI die ontvangen werden in de loop van hetzelfde boekjaar en na aftrek van het vroegere belastingver- lies van 100.
 
Voor de overdracht kan slechts rekening worden gehouden met een bedrag van 200-50 = 150 vermits de aanslag in aanslagjaar 2000 definitief is geworden.
 
Bezwaar
De circulaire verduidelijkt tenslotte dat de vennootschappen steeds een administratieve procedure kunnen instellen door middel van:

  • hetzij een bezwaarschrift binnen de gewone termijn van zes
  • maanden vanaf het opsturen van het aanslagbiljet; hetzij een aanvraag om ambtshalve vermindering (termijn van vijf jaar).

 
Indien echter reeds eerder een procedure werd gestart en de overdracht van DBI daarin werd afgewezen, is een nieuwe procedure niet mogelijk.
 
Walter Van Acker
walter.vanacker@vhg.be