Sterfhuisclausule dan toch belastbaar?!

Zoals al eerder meegedeeld, aanvaardde het Hof van Cassatie op
10 december 2010, de sterfhuisclausule inzake successierechten.
Dit betekende een welgekomen rechterlijke bevestiging van een techniek, die in de praktijk van de successieplanning in zeer specifieke situaties heel interessant kan zijn.

Even recapituleren: de sterfhuisclausule voorziet in een toebedeling van het hele gemeenschappelijke vermogen aan een aangeduide partner - wat ook de reden van ontbinding van de huwgemeenschap is - hetzij in een toebedeling van het hele gemeenschappelijke vermogen aan een aangeduide partner bij ontbinding door overlijden.

Ook de Administratie had in het verleden deze planningstechniek al aanvaard, maar slechts in zoverre de toebedeling geen eigen goederen betrof, die in de huwgemeenschap werden ingebracht. Het Hof van Cassatie ging verder in zijn uitspraak en oordeelde dat ook deze toebedeling van eigen ingebrachte goederen niet kon worden belast met successierechten op basis van Artikel 2 W. Succ., omdat het niet gaat over contractuele erfstelling.

Tot onze verbazing stellen we nu vast dat de Administratie in een beslissing van
15 juli 2011 zowel haar eigen eerdere stelling, als de uitspraak van het Hof van Cassatie tegenspreekt. Voortaan wordt elke sterfhuisclausule belast met successierechten, en wel op basis van Artikel 5 W. Succ.

Maar de door de Administratie gevolgde argumentatie overtuigt niet. Sterker zelfs,
ze is volgens ons foutief.

Artikel 5 is een fictiebepaling in ons Wetboek van Successierechten, die voorziet in een heffing van successierechten voor wat betreft huwelijksvoordelen.
Om onder de toepassing van dit Artikel te kunnen vallen moeten 3 voorwaarden voldaan zijn.
Het moet gaan om:

  1. een huwelijksovereenkomst die niet aan de regels van de schenkingen is onderworpen;
  2. een toekenning van meer dan de helft van de huwgemeenschap;
  3. een overlevingsvoorwaarde.

Bij de formulering van de sterfhuisclausule wordt er net steeds op toegekeken dat de toebedeling in geen geval afhankelijk is van de overlevingsvoorwaarde.
Een correct opgestelde sterfhuisclausule kan dan ook nooit op basis van
Artikel 5 W. Succ. worden belast.

Zelfs in haar eigen argumentatie haalt de fiscus aan, zij het impliciet, dat de sterfhuisclausule geen huwelijksvoordeel uitmaakt. Ook het Hof van Cassatie had dit, ook impliciet, bevestigd in zijn uitspraak dd. 10 december 2010.
Omdat de sterfhuisclausule geen huwelijksvoordeel betreft, kan er ook geen taxatie op basis van Artikel 5 W. Succ. volgen.

Gaan we ervan uit dat de sterfhuisclausule wel degelijk een huwelijksvoordeel uitmaakt, dan moet worden voldaan aan de overlevingsvoorwaarde om een belastbare grondslag te hebben op basis van Artikel 5 W. Succ.
Ook aan deze voorwaarde is, zoals hierboven al aangehaald, niet voldaan, zodat de belastbaarheid op basis van Artikel 5 W. Succ. wordt uitgesloten.
 
De Administratie stelt in haar beslissing echter dat de sterfhuisclausule noodzakelijkerwijs moet worden gelijkgesteld met 'een vrijgevigheid bij toepassing van Artikel 5 W. Succ.', waardoor zij de grondslag van de heffing rechtvaardigt.

Dergelijke argumentatie is geenszins te volgen en steunt op geen enkele afdoende wettelijke bepaling. Toch zal in de praktijk rekening moeten worden gehouden met effectieve taxatie, zodat men voor de rechter een terugvordering van de ten onrechte verschuldigde rechten zal moeten verzoeken.

Gezien de tijd en de kosten die dergelijke procedure met zich mee zullen brengen, zal de klant hierop in de advisering moeten worden gewezen, en zal er al dan niet een aangepaste planning moeten worden uitgewerkt.
 
Zo heeft een wat ons betreft foutieve Administratieve beslissing wel degelijk een grote impact op de dagdagelijkse praktijk van de successieplanner.
 
Eef Stevens
eef.stevens@vhg.be